Staand rij aan rij
Wachters
eeuwenoud en ongenaakbaar
Wapenbroeders
vervat in eeuwigheid
Kathedralen van steen
strijdbaar
zacht fluisterend over eeuwen her
wanneer de wind
hun gedachten stem geeft.
Spreiden
handen en vingers
Strelen wolken
Vangen regen
als een zegening
Hier
ben ik
niets en thuis
Vlei me
onder hun aanwezigheid
Op een deken
van vergane glorie
Breng ik hen
laatste groet
Morgen
rijzen ze
Bij het eerste licht
Zich majestueus bewijzend
Als ze vallen
schreeuwt hun bloed
en wenen ze
bitterzoete tranen
In hun midden
nietig, onbeduidend
Zij, eeuwig
en toch..
maar even..
|