Ze liep over straat,
Ik zag haar gaan,
Ze lachte en keek blij,
Maar in haar ogen zag ik een traan.
Ze begroete voorbijgangers,
En liep steeds maar door,
Ze liep steeds sneller,
Want rusten, daar had ze geen tijd voor.
Ze begon te rennen,
En keek absoluut niet om,
Ze was op de vlucht,
Omdat ze het niet alleen meer kon.
Voorbijgangers zagen haar rennen,
Maar niemand nam de moeite om te helpen,
Niemand wilde haar troosten,
Samen met haar de wonden stelpen.
Pas toen ze viel, viel ze op,
Ze bleef liggen, midden op straat,
En de hulp die toen eindelijk kwam,
Kwam veel en veel te laat. |